
Als timmerhout was de beuk meer dan 100 jaar de mindere tegenover de eik, die niet enkel veelzijdig inzetbaar hout leverde, maar ook eikels voor de varkensmesterij. De beuk werd daardoor in de bosexploitatie lange tijd verwaarloosd en tot het midden van de negentiende eeuw bijna uitsluitend als brandhout gebruikt.
Grotere betekenis in de bosexploitatie kwam pas met de ontdekking, dat met teerolie geimpregneerde beukenhouten spoorliggers tegen schimmels beschermd konden worden. Daardoor haalde beukenhout betere prijzen, zodat herbebossing met deze boomsoort weer loonde. Omstreeks 1930 werd enkel nog de helft van het gekapte beukenhout als brandstof gebruikt. Door de voorkeur van de bosbouw voor naaldhout leed de beuk in de eerste helft van de twintigste eeuw weer regionaal terreinverlies.
Pas met de overgang naar meer natuurvriendelijke bosbouw, wat zich in de 1980er jaren begon doortezetten, kwam de beuk in de belangstelling en breidde zich sindsdien weer uit.
De beuk is een ideaal voorbeeld van plantaardig concurrentievoordeel en kan in de meest uiteenlopende omgevingen groeien. Vandaag is beuk de meest voorkomende loofboomsoort met een aandeel van bij de 15% van het totale boombestand.
De oppervlakte beuken in Duitsland is de voorbije 15 jaar met 150.000 ha gestegen.
Door de overwegend natuurvriendelijkste exploitatie zijn beukenbossen „het“ voorbeeld van duurzame, multifunctionele bosexploitatie – een bosexploitatie, die houtgebruik, natuurbescherming en herstel op dezelfde oppervlakte mogelijk maakt.